Alle onderstaande teksten zijn van Hubert Topke, voorzitter Culturele Raad Lede. Waarvoor dank.


Jean de Gruutere (1501 - 1556)

Jean de Gruutere werd geboren in Lede rond 1501. Hij huwde in 1522 met Catherine Brugmans (° Kloosterzande rond 1501)  en kocht omstreeks 1542 de 'Heerlijkheid Lede' van jonkheer Pieter de Carrien.

Keizer Karel V (°1500 +1568) benoemde Jean de Gruutere tot 'Heer in Lede'. Dit gebeurde rond 1546.
De familie de Gruutere was bevriend met de zeer vermogende en met groot aanzien Gentse adellijke familie De Bette.
In 1549 trouwde Isabeau (°1524), de enige dochter van Jean de Gruutere en Catherine Brugmans, met Jacques de Bette (°1521).
25 oktober 1556 overleed Jean de Gruutere op 55-jarige leeftijd. De heerlijkheid kwam, via zijn dochter Isabeau en schoonzoon
Jacques, aldus in bezit van de familie De Bette.

De Gruutere's waren verwant met Gwijde van Dampierre (°1126 +1305), die Graaf van Vlaanderen was vanaf 1278.


Jacques de Bette (1521 - 1591)

Jacques de Bette werd door Karel V geadeld tot ridder. Hij was meermaals schapen van de Keure en schepen van gedele (vrederechter) van Gent.

Ridder Jacques de Bette bezat 101 hectaren land, weiden en bossen. In 1560 bestelde hij een altaartafel en betaalde de helft van 5 glasramen voor de kerk. Hij kocht in 1579 de Heerlijke Rechten over Schellebelle en Wanzele.

In 1582 plunderden de geuzen het kasteel en staken de kerk in brand. Jacques de Bette bracht tijdig het miraculeus beeld van O.L. Vrouw en enkele waardevolle stukken naar Gent. Daar bleven de schatten gedurende 6 jaren verborgen. Vanaf 1587 keerde de rust terug in de Zuidelijke Nederlanden. In 1588 bracht zoon Jan, samen met de pastoor, het beeld 'zegepralend' terug naar Lede. Jacques de Bette overleed op 20 juni 1591, zijn echtgenote Isabeau in 1596.


Jan de Bette (? - 1620)

Jan de Bette volgde zijn vader op als Heer van Lede in 1591.

Het duurde tot 1595 vooraleer de werken aangevat werden aan de toren van de verwoeste kerk. De herstelling werd grotendeels bekostigd door Jan de Bette. In 1597 kreeg de toren aan elke zijde 2 klokvensters met daarin 3 galmborden. Aan de westgevel kwam een kleine vensteropening boven het grote doksaalvenster. Het jaar nadien werden de 4 muurankers geplaatst, elk in de vorm van een cijfer: 1 5 9 8. De toren werd opgebouwd in Leedse steen. Een eenvoudig schaliëndak werd een jaar later geplaatst.

Jan de Bette werd tot ridder geadeld in Madrid op 26 maart 1598 door koning Filips II. In datzelfde jaar huwde hij Joanna de Berghes van Grimbergen. Samen hadden zij 2 zonen, Adrien en Willem.

Op 22 juni 1607 volgde, door aartshertog Albrecht en aartshertogin Isabella in Brussel, de verheffing van baronie van de Vlaamse heerlijkheid Lede.

In 1615 liet Jan de Bette de Grote Kapel, de 5de ommegangkapel, bouwen. Boven de inkomdeur staat in zandsteen te lezen: "Gant at Bette sans este'. Gent heeft Bete zonder het te zijn (bête). Jan de Bette overleed op 10 juni 1620.


Willem de Bette (° 18/08/1610 - 23/06/1658)

Willem de Bette verkreeg de titel van baron in 1620 en volgde zijn vader op als Heer van Lede.

Op 24 januari 1633 huwde hij Anne Maria de Hornes de Baucignies en hadden samen 5 kinderen.

Hij was luitenant-kolonel in dienst van de koning van Spanje, Filips IV. Willem verkreeg op 2 februari 1630 de eretitel van 'lid van de krijgsraad' en voor bewezen diensten op 3 augustus 1633 de titel van MARKIES van Lede. Bij het overlijden van zijn broer Adriaen (+05/11/1634) werd hij gouverneur van het Land van Limburg, van Duin-kerken en van Biezma, heer van Peronne, hoogbaljuw van Gent.

In 1640 werd hij gouverneur van Gelderland, bevelhebber van de artillerietroepen in het Land van Luxemburg, opperbevelhebber van de Spaanse Vloot in de Nederlanden, ... de reeks benoemingen gingen alsmaar door.

De rust keerde hier weer na de inval in 1645 van de Hollandse troepen in het Land van Aalst.

In 1648 werd hij ridder van het Gulden Vlies.

In 1651 liet hij een marmeren altaar bouwen in de O.L. Vrouwkapel door Jaak Cocx.

Op 7 juni 1654 werd hij kapitein over het Spaanse voetvolk.

Opnieuw woedde oorlog in Duinkerken. Met zijn 2.500 infanteristen (soldaten te voet) en 800 cavaleristen (soldaten te paard) kon hij onmogelijk Duinkerken verdedigen. De overmacht van het Frans-Engels leger met 28.000 was te sterk.

Hij overleed op 23 juni 1658 aan zijn verwondingen opgelopen bij de verdediging van Duinkerken. Zijn echtgenote overleed te Lede op 15 oktober 1655.

Bij testament van 15/06/1657 had hij de kerk van Lede 4.000 gulden geschonken waarmee het huidige hoofdaltaar (tot 2013) zou worden opgericht.

Markies Willem liet eerder een grafkelder maken aan de evangeliezijde (links) van het hoofdaltaar.

Tevens plaatste hij een bidloge aan dezelfde kant, derwijze dat hij en de markiezin rechstreeks zicht hadden op de priester-aan-zijn-altaar doch de misvierders op geen enkele wijze hen konden zien.


Ambrosius de Bette (? - 1677)

Markies van Lede, baron van Peronne, heer van Hofstade, Impe, enz... huwde op 23 januari 1671 Dorothéa de Croy-Soire, grootmeesteres van de keurvorstin van Beieren. Zij hadden samen 5 kinderen.

Hij trad als groot veldheer nagenoeg in hetzelfde spoor van zijn grootvaderen. Hij ontpopte zich algauw als een geducht leider in dienst van de Spaanse kroon en werd kolonel van een infanterieregiment. Toonde zich nogal bazig op het slagveld, in zijn thuisbasis had hij regelmatig strubbelingen, zowel met de gemeentelijke als de klerikale autoriteiten.

Hij overleed op 8 december 1677 bij een beleg aan de Hollandse grens.

De markies-weduwe bepaalde in 1680 het recht van de 'dode hand'. Bij overlijden moest de boer 6 gulden betalen voor paarden en koeien. Van een geboren ledenaar die overleed in een andere gemeente dan 's graven propre' (waar de graaf heer was) had zij het recht op 'alle de have bij sulck eenen persoon achtergelaten'.

Markiezin Dorothéa zorgde in 1685 voor een 'gearrangeerd huwelijk' van haar dochter Honorata (14 jaar) met de graaf Carolus de Bourgogne van Wakken (26 jaar).

In 1688 werd deze graaf Carolus proost van de hier heropgerichte Broederschap van O.L. Vrouw van Zeven Weeën.

Markiezin Dorothéa overleed in Mechelen op 27 januari 1706. Haar man en zij liggen begraven in de crypte onder de zitplaats van de markiezin, links van het hoogkoor in de Sint-Martinuskerk.


Jean-François Nicolas de Bette

Jean-François Nicolas de Bette werd, als eerste kind van Ambroise en Dorothéa, geboren in Lede op het kasteel op 3 december 1667.

Hij was grootbaljuw (=ambtenaar die de koning vertegenwoordigde in steden en landelijke gebieden) te Aalst en Geraardsbergen en sinds 1707 ridder van het Gulden Vlies. Daarnaast was hij baron van Peronne, gouverneur van Palma de Mallorca, luitenant-generaal van het Spaanse leger, opperbevelhebber van de infanterie en werd zelfs onderkoning van Mallorca voor Filips V.

Aan het hoofd van een leger van 30.000 man streed hij tegen de Oostenrijkers en de hertog van Savoie. In 1717 veroverde hij Sicilië tegen de troepen van Karel VI. Na 1720 ging hij in Afrika tegen de Moren strijden alwaar hij o.a. Ceuta veroverde voor Spanje. Deze stad in Marokko, 20 km² groot, telt 73.000 inwoners en werd vanaf dan Europees gebied. Een centrum-straat draagt nu nog de naam ‘Calle Marqués de Lede’ ter nagedachtenis van onze markies Jean François de Bette.

Hij huwde in Condé op 11/12/1722 met Anne Marie de Croy Roeux, (°Mons 2/4/1706), eerste hofdame van de infante van Parma. Zij kregen één zoon : Emmanuel Ferdinand François.
Als veldheer was hij zijn ganse leven onderweg … meestal om te vechten ! Hij kwam niet zo vaak naar Lede en schonk niet te veel aandacht aan zijn kasteel.

Jean François overleed in hun woning aan de Madera Baja te Madrid op 11/1/1725 als voorzitter van de opperste krijgsraad van het Spaanse Rijk. Hun zoon was 1 jaar oud.
Anne Marie de Croy Roeux overleed in Parijs op 30/9/1792


Emmanuel Ferdinand de Bette

Emmanuel Ferdinand de Bette werd geboren te Madrid op 13/1/1724 en gedoopt in hun parochiekerk Iglesia San Martin op 13/10/1724. Vanaf zijn 5de verbleef hij in Lede op het kasteel ‘voor zijn opvoeding’. In 1735 keerde Emmanuel terug naar zijn moeder in Spanje. In 1748 verliet hij zijn geboortestad Madrid om een tijd in Parijs te wonen.

Hij liet in 1749 het huidige (nu totaal vervallen) markizaat-kasteel herrijzen in een groene oase van bomen en vijvers.
De voorgevel werd bekroond met een driehoekig fronton met een wapenschild geflankeerd door twee majestueuze leeuwenbeelden. De zuidgerichte voorgevel toonde een rondbooggalerij met erboven een balustrade met 4 Dorische zuilen.

Het kasteelgebouw telde het gelijkvloers en 2 verdiepingen en had een totale gevel- breedte van 35 meter.
Ondergronds waren de wijn- en bierkelders, de voorraadkelders voor fruit, groenten en kolen en een bakoven. Het gelijkvloers bestond uit een grote traphal, een eetkamer, een eetzaal en 3 salons. Op de eerste verdieping bevonden zich 7 slaapkamers, een bibliotheek, een badkamer, een speelkamer en een wachtkamer. De tweede ver- dieping telde 11 slaapkamers en een linnenkamer. Onder het grote dakgebinte was de graanzolder geïnstalleerd.

Tijdens zijn - tamelijk frivool - leven was hij baljuw van Aalst, werd als Grote van Spanje 1ste klas geridderd (mocht de koning staande spreken en aanhoren met bedekt hoofd), werd in 1749 benoemd tot Maréchal de France en sloot zich in 1789 aan bij de opstand tegen Jozef II.
Hij huwde (met de linkerhand = beneden zijn stand) in 1762 zijn hartsvriendin, Jeanne Estiennette du Tarte, artieste in de Brusselse Muntschouwburg van Jean-Nicolas Servandoni d’Hannetaire. Het bleef een kinderloos huwelijk.

Zijn gezellin overleed op 13/9/1788 op 48-jarige leeftijd. Zij werd - gezien haar situatie - buiten de kerk in Lede begraven. Emmanuel overleed in de nacht van 6 juli 1792 op het kasteel en werd - wegens zijn levenswandel - eveneens buiten de kerk begraven. Hij was de laatste markies van Lede.

Daar hij geen nakomelingen had, kon zijn moeder - volgens het recht van het Land van Aalst - slechts 1/3de erven en niet 100% zoals zijn eerder opgemaakt testament vermeldde. De overige 2/3de van zijn aanzienlijk fortuin en heerlijkheden in België en Nederland zouden naar de vaderlijke tak gaan.
Zijn moeder overleed echter 2 maanden na hem, hetgeen de erfenisopvolging grondig bemoeilijkte.
Familietakken die meenden recht te hebben op een erfdeel - en na enige tijd ‘niets zagen afkomen’ - werden ongeduldig. Ze vermoedden onrecht aangedaan te zijn en voerden processen in serie vanaf het jaar 1799.
De erfenisafhandeling creëerde gecompliceerde rechtszaken en grote familieruzies die tot op vandaag niet zijn opgelost. Het kasteel bleef 10 jaar onbewoond en stond zelfs in 1796 onder sekwester (gerechtelijke bewaring).
De erfenis kende een zonderlinge afloop.

De afstammelingen van Phillippus de Gruutere - zijn kleinkind Isabeau en haar kinderen, kleinkinderen enz. bleken niet geïnformeerd te zijn van de nalatenschap ! Deze van Paulina werden wel opgeroepen, zodat enkel zij als wettige erfgenamen werden aanzien en aldus aanspraak konden maken op het immense fortuin.
Er werden procedures gevoerd in 1799, in 1886, in 1934 en een laatste maal in 1978.
De gedupeerden bleven achter met het ‘rijkelijk gevoel’ een aantal markiezen te hebben gehad onder hun voorvaderen !
De heerlijkheid ging - bij erfenis - naar een verre erfgenaam van de Gruutere, nl. baron Jean Charles de Joigny de Pamele (°1748 +1794). Zijn grootvader was inderdaad gehuwd met Anne Marie de Gruutere. Zijn dochter, Marie-Charlotte-Jacqueline huwde met Jean-Charles Carnin de Staden (°1746 +1826).
Bij het overlijden van J-C de Joigny de Pamele werd de jongere broer van schoonzoon
J-C Carnin de Staden, Maximilien (°1773), voogd van de 5 minderjarige kinderen. Deze kinderen waren erfgenamen wegens hun betovergrootmoeder Anne Marie de Gruutere (5de graad).


Maximilien Carnin de Staden

Maximilien Carnin de Staden betrok het markizaatkasteel en bleef er wonen tot zijn overlijden op 2/8/1814. Hij werd te Lede begraven samen met zijn echtgenote, Charlotte de Norman die twee jaar later overleed.
De grafsteen - met bovenaan het dubbele wapenschild en de gravenkroon - van deze laatste nobele bewoners van het kasteel bevindt zich aan de zuidelijke buitenmuur van de sacristie van de Sint-Martinuskerk te Lede.

In 1815 verbleef de koning van Frankrijk Louis XVIII (°1755 +1824) enige tijd in het markizaatkasteel en bezocht hier de jubelprocessie. Louis XVIII was Parijs ontvlucht ingevolge de terugkeer van Napoleon (van februari tot juni) en had zijn intrek genomen in het herenhuis ‘Hotel d’Hane - Steenhuyse’ te Gent.

Bron: brochure Open Monumentendag 2013 - het beste van 25 jaar (Hubert Topke)